zondag 31 januari 2016

Recept

Vermom je haat
noem het kritiek

Verover de straat
maak geesten ziek

Spreek woorden
als granaten

Laat moorden
door fanaten

Herhaal de leugen
duizend malen

Ontken geheugen
anderen falen

Gif gemengd
onzichtbaar reukloos

Aarde verzengd
de weg die jij koos

Moderne alchemie
zo onder de knie







zaterdag 30 januari 2016

De verwording van het gezag


Van de 140 doodvonnissen werden er slechts 40 ten uitvoer gebracht. Het toenmalige kabinet was in 1948 op voorstel van de Kamervoorzitter, de KVP'er Mr. L.G. Kortenhorst, van mening dat een golf van executies het normbesef van de Nederlandse bevolking niet ten goede zou komen. Kortenhorst, die ook advocaat was, werd vooral bekend om zijn verdediging van De Telegraaf en Menten.

In zes gratiegolven werden door Bijzondere Gerechtshoven opgelegde straffen telkens verminderd. Voor een grootschalige gratieverlening zorgde het vijftigjarige regeringsjubileum van Koningin Wilhelmina. Was er eerst geen plaats meer in Nederland voor landverraders, een "kantelend draagvlak" zorgde ervoor dat spoedige terugkeer van deze relatief grote groep Nederlanders van groot belang was.

Van de omzetting van de doodvonnissen in levenslange gevangenisstraffen tot korter profiteerden vooral veel jodenjagers.

In het onder redactie van Ad van Liempt en Jan H. Kompagnie in 2011 verschenen boek Jodenjacht wordt hier uitgebreid aandacht aan besteed, waarbij vooral de rol van Nederlandse geüniformeerde jodenjagers wordt onderzocht en besproken. Acht onderzoekers hebben 230 strafdossiers van jodenjagers bestudeerd, een aantal daarvan wordt in het boek besproken. De gruwelijkste daden van gezagsgetrouwe misdadigers komen aan bod.

Het is geen boek dat makkelijk weg leest. Integendeel, een regelmatige adempauze is meer dan gewenst. Niet alleen de gruwelen doen de lezer naar adem happen, ook de talloze herhalingen van de feiten als gevolg van een minder strakke redactie van Van Liempt, staan het “leesplezier” soms hinderlijk in de weg.

Om de ernst van de misdaden, gepleegd door gezagsdragers enigszins te kunnen bevatten is het zelfs raadzaam het werk meerdere keren te lezen. Na eerste lezing is de verontwaardiging veel te groot om redelijk te kunnen oordelen. Want wat zijn de grote vragen? Was het haat of hebzucht, een combinatie van beide? Speelden vormen van zwakzinnigheid een rol? Is dit nu zo'n voorbeeld van de banaliteit van het kwaad? Deze vragen worden door de diverse onderzoekers nauwelijks beantwoord en als er al sprake is van een begin van een antwoord dan is dat zeker niet eenduidig.

De conclusie van recensent George Marlet in Trouw, “Maar geld was niet de belangrijkste drijfveer. Dat was felle jodenhaat”, is, hoewel begrijpelijk, eenvoudig te makkelijk.

Hoewel de meeste jodenjagers veel eerder vrijkwamen dan voorzien ontliepen zij hun financiële en morele straf niet. De meesten werden een deel van hun burgerrechten afgenomen en ook hun recht op pensioen werd afgepakt.

Wat dat laatste betreft is de pensioenaanvraag van de oud-hoofdrechercheur der Staatsrecherche in Den Haag, Cornelis Heijnis, een aardig voorbeeld van een enorm gebrek aan normbesef. Heijnis was zijn pensioenrechten verloren en zijn verzoek om clementie werd, uiteraard, door het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds afgewezen. De niets en niemand ontziende jodenjager Heijnis vroeg daarop bij de Stichting 1940-1945 een verzetspensioen aan. Die aanvraag werd serieus in behandeling genomen en uiteindelijk op ministerieel niveau afgewezen, ook al werd deze gedaan door een wegens landverraad en misdaden tegen joden veroordeelde voormalige opperwachtmeester/hoofdrechercheur der Staatspolitie, lid van de NSB, het Rechtsfront en de Germaanse SS. Heijnis was in 1950 tot 10 jaar gevangenisstraf veroordeeld, het verzetspensioen vroeg hij in 1982 aan.

Politie 75 jaar later
De afgelopen 10 tot 15 jaar ligt het werk van de Nederlandse politie onder een vergrootglas. De zichzelf graag als hulpverleners profilerende gezagsdragers komen met steeds grotere regelmaat in het nieuws in verband met corruptie, etnisch profileren, “bedrijfsongevallen” met de dood van een burger tot gevolg, te hoge werkdruk, te lage beloning, veel te hoge beloning, ambtsmisdrijven, enzovoort.

Opnieuw komen ongeveer dezelfde vragen als die in de periode van de Duitse Bezetting op. Haat, hebzucht, vormen van krankzinnigheid, een combinatie daarvan? Daar komen de volgende vragen bij. In hoeverre laten onze gezagsdragers, hulpverleners in hun optiek, zich leiden door persoonlijke politieke motieven? Zijn onze huidige gezagsdragers wel bestand tegen de macht die zij van overheidswege over de burgers en hun gasten hebben gekregen en moeten uitoefenen? Om die vragen ook maar een beetje te kunnen beantwoorden is het boek Jodenjacht een aardige bron. Uniform en bewapend of niet, de mens is meer geneigd tot het kwaad als daar persoonlijke voordelen tegenover staan en gezagsdragers worden nu eenmaal kritischer gevolgd dan de gemiddelde burger die zich misdraagt.

Het is dan ook volstrekt ongepast dat de politie zich keer op keer en telkens luider beklaagt over het feit dat zij blootstaat aan kritiek van de burgers en de media. Sinds de politie de sociale media heeft ontdekt als propagandakanaal is het er niet beter op geworden. Telkenmale slaagt een wijkagent erin het imago van het gewapende gezag te bezoedelen.

Uit de vele voorbeelden die hiervan zijn is dit een wel heel bijzondere.



Nu het politieke klimaat in Nederland en ver daarbuiten neigt naar verharding van het gewapende gezag en vergroting van de zwaardmacht zou het aan te bevelen zijn dat alle medewerkers van de politie, inclusief vrijwilligers en medewerkers van beveiligingsbedrijven, Jodenjacht verplicht lezen, samenvatten en zich vervolgens onderwerpen aan een overhoring. Want het zal toch duidelijk moeten worden dat kritiekloos uitvoeren van immorele bevelen van welk gezag ook, onaanvaardbaar is en onafwendbaar tot hoge straffen leidt.

Dat excuses als “bevel is bevel” en “ik heb dat niet geweten” en “ik heb nu eenmaal een zwak karakter” en “mijn vrouw heeft mij aangemoedigd” nooit en te nimmer tot het ontslaan van rechtsvervolging kunnen leiden. Bovendien zal de overheid zich meer en meer moeten bezinnen over de mentale geschiktheid van aspirant-gezagsdragers. Tenzij er sprake is van een overheid die juist prijs stelt op minderbegaafde gewetenloze mensenhaters in een uniform en een wapen op hun heup. Want dat kan natuurlijk ook zomaar weer het geval zijn als we niet waakzaam zijn en de voorkeur blijven geven aan onwetendheid.





donderdag 22 oktober 2015

De opa van GeenStijl

H.J.A. Hofland
In het vierde uur van een bijna vijf uur durend radio-interview (1986) aarzelt H.J.A. (Henk) Hofland (uitgeroepen tot de journalist van de 20ste eeuw) met zijn antwoord. Hij probeert de vraag te ontwijken. Begint over een collega, Jan Blokker, die volgens hem zó gevangen zit in zijn principes dat het eigenlijk wel een beetje sneu is. Daar heeft Hofland vrijwel geen last van zegt hij. Integendeel, Hofland vindt zichzelf meer een straathond [sic]  die ongeacht de bron van zijn leeftocht in leven probeert te blijven.

Wat was de vraag ook alweer?

Ischa Meijer vroeg Hofland of hij, als daar een riante vergoeding tegenover stond, bereid zou zijn columnist voor de Telegraaf te worden.

"Wat is riant?", vroeg Hofland om meteen over Blokker te beginnen die in geen geval iets met die krant te maken zou willen hebben. Dat was namelijk in het verleden als eens gebleken, waarop direct de zoveelste anekdote volgt die overigens in het eerste uur ook al was verteld.


Ischa Meijer
Ischa laat zich niet van de wijs brengen, laat Hofland rustig zijn verhaal voor de tweede keer vertellen om plotseling, even verderop in het interview, "250.000 is best riant" te zeggen. Weer is Hofland even stil, de oplettende luisteraar hoort zijn hersens knarsen en piepen en dan komt het antwoord.

Hofland blijkt wel enkele medewerkers van de Telegraaf te kennen. Allemaal aardige mensen en van Lepeltak wil hij geen kwaad horen. Er blijkt een Telegraaf van die dag voorhanden te zijn. "Kijk, dit stinkt naar een krant", zegt Hofland, die de uren hiervoor enorm heeft afgegeven op alle Nederlandse kranten. Allemaal onleesbare onbenulligheid en dat is dan weer de schuld van de oersaaie Nederlandse politiek. Hofland leest een berichtje voor dat op de voorpagina van de Telegraaf die hij in zijn handen heeft staat. Iets over twee zussen die een naakte man onder hun bed hebben aangetroffen. Hofland en Ischa lachen besmuikt, maar een afdoende antwoord is het natuurlijk nog steeds niet.

"Nee, dat ga ik toch niet doen, ik weiger samen met Leo Derksen in één krant te staan." Het is eruit, maar het heeft Hofland duidelijk heel veel moeite gekost om dit argument eruit te floepen. Ischa merkt dat ook en vult het argument aan met "En Henk van der Meijden natuurlijk." Hofland beaamt dat Van der Meijden ook een reden is om van die denkbeeldige riante vergoeding af te zien.

Leo Derksen was een even bejubelde als verguisde columnist die sinds 1974 op pagina 3 onder de titel "Op Zicht" in de Telegraaf verscheen. Zijn columns die tegenwoordig "longreads" zouden heten omvatten elk ruim 1000 woorden. De toon was vilein, beledigingen schuwde Derksen niet. Hij werd als de stem van rechts beschouwd, zijn tegenstanders, voornamelijk uit de linkse hoeken van het maatschappelijk speelveld, hielden het op "hetzeschrijver".

De Telegraaf was destijds een krant met een reactionair imago en Derksen was daarvan het symbool. De krant is nog steeds reactionair, de symbolen zoals Derksen dat was zijn talrijker.

Derksens toon was kwaad en kwaadaardig. Hij strooide voortdurend met feitjes die in zijn kraam te pas kwamen en zijn kraam bestond uit het uitventen van hatelijkheden aan het adres van feministen, de VARA, de heer J. den U te B., Frits Bom (die hij met Hitler vergeleek), de P.v.d.A., iedereen die ook maar enigszins links was, vreemdelingen, de ambtenarij, stalinisten, de Volkskrant en zijn lezers, patsers en proleten.

In één van zijn stukken beweert Derksen dat de Telegraaflezer uitgeslapener, slimmer en wakkerder is dan de Volkskrantlezer om de eenvoudige reden dat de Telegraaf een uur eerder bezorgd wordt. Dat is, alweer volgens Derksen, de reden dat Telegraaflezers angstiger zijn dan Volkskrantlezers, want die laatste groep beschikt niet over de échte informatie die de Telegraaf uiteraard wél verstrekt.

Toen Willem Aantjes voorzitter van de Nationale Kampeerraad werd vond Derksen dat niet meer dan logisch: "Hij kent het Horst-Wessellied uit zijn hoofd."

Keer op keer suggereerde Derksen in zijn stukken dat J. den U. te B. (Joop den Uyl) fout was geweest in de oorlog. De VARA en in veel mindere mate de KRO konden wat hem betreft afgeschaft worden, alleen al om het afgrijselijke moraliserende amusement dat beide omroepen uit de "kwelbuis" lieten komen.

Dankzij Delpher zijn vrijwel alle stukken van Derksen nog na te lezen. Na tien van die stukken is duidelijk dat Derksen niets anders doet dan voortdurend op hetzelfde aambeeld timmeren. Zijn schrijfstijl kan hapklare lol genoemd worden. Groteske woordvondsten zijn zeldzaam, goed lopende heldere zinnen daarentegen niet. De stukken lezen als een trein en leveren telkens op z'n minst een glimlach op, waar linkse lezers, als die er al waren, scheldend en schreeuwend het nazi-verleden van de Telegraaf oprakelden.

Dat verleden liet Derksen onbesproken, maar goed en fout in de oorlog vermeed hij niet. Hij schepte er genoegen in anderen een fout oorlogsverleden aan te meten. Het maakte hem niet uit of dat terecht of onterecht was. Veel van zijn lezers, dat moeten er heel erg veel geweest zijn, namen alles wat Derksen schreef voor waar aan. Zijn beweringen checken deed niemand. Dat was in die tijd ook niet zo eenvoudig als nu.

Toen Derksen in 1974 zijn opwachting maakte met zijn column in de Telegraaf was er sprake van grote polarisatie in Nederland. Links en rechts vochten een verbeten strijd om de macht uit waarbij grote woorden, affronteren, feitenvrij banaal populisme, het beschuldigen van minderheden, het aan de schandpaal nagelen enzovoort eerder regel dan uitzondering waren.

In 1988 ging Derksen gedwongen met pensioen (VUT) en polariseren was ook niet langer de norm. Toch vond Derksens grootste fan, prins Bernhard, het nodig om in het openbaar protest tegen de gedwongen pensionering van zijn schrijvende held aan te tekenen. Derksen en Bernhard zijn inmiddels dood, de Telegraaf leeft nog en heeft zelfs op hoge leeftijd nog gejongd.

Naar aanleiding van de succesvolle campagne van een kind van de Telegraaf zal komend jaar een referendum plaatsvinden over de vraag... Dat ben ik vergeten.

Dat bleek voor echte kranten, zoals de NRC, en diverse weblogs aanleiding om GeenStijl nog maar eens onder de loep te nemen en, godbetert, te analyseren. Die analyses waren stuk voor stuk vrij aardig. GeenStijl voorziet kennelijk in een behoefte, trekt zich niets aan van fatsoen en beschaving, draait voortdurend zaken om, bedient zich van allerlei in de kraam te pas komende feitjes, heeft vaste vijanden die het keer op keer moeten ontgelden en ga zo maar door.

Al die analyses van dit weblog, onderdeel (nog wel) van de Telegraaf Media Groep, zijn gespeend van enig historisch perspectief. Dat is jammer, want de geachte analytici hadden zich veel moeite kunnen besparen door zich enigszins in het recente verleden te verdiepen. Dan had kunnen worden volstaan met het overschrijven van of linken naar alle commentaren die Leo Derksen, begenadigd columnist van de Telegraaf in een polariserend tijdsgewricht, ten deel zijn gevallen. Maar wie kent Leo Derksen nog? En wie kent over een jaar of tien GeenStijl nog?







dinsdag 13 oktober 2015

"Daar wonen meer vluchtelingen dan mensen"

Het vervelende van flauwekul is dat hij onuitroeibaar is. De geringste flauwekul groeit binnen de kortste keren uit tot een feit dat zijn weerga niet kent. Om maar te zwijgen van de grote lariekoek die wij tegenwoordig moeten verteren. Onzin kan altijd weerlegd worden, daar is het onzin voor en meestal kost dat maar heel weinig moeite. Voorwaarde is wel dat je moet kunnen lezen en luisteren, maar daar heeft vrijwel niemand nog zin in. Zo lijkt het althans. Zoals het er ook op lijkt dat de meeste journalisten er helemaal geen zin meer in hebben de talloze kletsmajoors die radio, televisie en pers teisteren als zodanig te ontmaskeren.

Zo zag en hoorde ik iemand die zich Henk Westbroek noemt in een televisieprogramma van omroep WNL in aanwezigheid van de voorzitter van de Tweede Kamerfractie van de VVD, Halbe Zijsltra en journalist/presentator Rick Nieman, het volgende beweren:

"Ik heb TBC gehad en ik vind het vervelend om te zeggen, maar dat heb ik waarschijnlijk opgelopen in een vluchtelingenkamp waar ik doorheen moest. Daar woonden meer vluchtelingen dan mensen."

En zo ging dat nog even door. Onweersproken. Alsof het voor iedereen zonneklaar moest zijn dat vluchtelingen geen mensen zijn en met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid enge ziekten verspreiden. De presentator én de politicus vonden het in elk geval niet nodig deze kwaadaardige flauwekul tegen te spreken, laat staan de heer Westbroek kletsmajoor te noemen. Waarna Westbroek op kosten van de gemeenschap zijn nieuwste projectje mocht verkopen. Een raar projectje dat zich op zichtbare instemming van de politicus mocht verheugen.

Diezelfde Zijlstra had het een dag eerder bestaan de grootst mogelijke onzin over het verband tussen vluchtelingen en cosmetische chirurgie te verkondigen. Om die reden was hij in dat programma aanwezig, zodat hij het nog eens dunnetjes over kon doen. Ja, hij had misschien lichtelijk overdreven, maar in essentie kwam het er toch echt op neer dat vluchtelingen het op onze voorzieningen hebben gemunt en daar horen natuurlijk ook alle medische voorzieningen bij. Iemand sputterde wat tegen, maar daar bleef het bij. Het zaadje was geplant en de media zouden het overvloedig bewateren.

Zo gaat het nu al weken achtereen. Iemand, een gezagsdrager, een politicus, een opiniemaker, een provocateur, een burgemeester, een willekeurige passant, wie dan ook roept iets onzinnigs over vluchtelingen in het algemeen en die naar Nederland komen in het bijzonder, de onzin wordt een feit.

Dit is natuurlijk geen nieuw, nooit eerder vertoond fenomeen. Het is propaganda die vooral tijdens oorlogen populair is. Ooit was er zelf een heuse minister van Propaganda en ik overdrijf niet als ik zeg dat Joseph Goebbels min of meer de grondlegger is voor alle succesvolle anti-vreemdelingenpropaganda sinds 1923, het jaar dat hij zijn Chef Adolf Hitler ontmoette. Dit soort propaganda speelt in op de altijd aanwezige onlustgevoelens van burgers en op de Pavlovachtige verontwaardigde reacties.

Precies datgene waar Wilders en Bosma nu al meer dan tien jaar heel druk mee zijn. Onzinnige uitspraken doen en onmogelijke standpunten verkondigen die zowel de boze burgers als de superieure, meestal linkse, reageerders triggeren. Op deze manier blijft de schandelijke lulkoek altijd wel een tijdje in de lucht hangen tot het een "feit" is geworden. Dat had Goebbels ook in de smiezen en die had dit mechanisme al snel tot kunst verheven.

Dat journalisten zich voor dit karretje laten spannen is tot daar aan toe. Maar dat ook mensen die beslist beter zouden moeten weten ongewild maar onmiskenbaar de public relations van de leerlingen van Joseph Goebbels verzorgen, moet toch grote zorgen baren.

De stand van zaken is nu zo dat onze beleidsmakers zich hebben laten overblaffen door een relatief kleine groep volksgenoten die nog steeds liefkozend "bezorgde burgers" wordt genoemd. Ik waag het niet u te onderschatten. U bent wijs genoeg om te weten dat vluchtelingen mensen op de vlucht zijn en u weet ook heel goed dat Nederland gebonden is aan tal van internationale verdragen en vluchtelingen de toegang tot het land niet kunnen weigeren en bovendien een dure zorgplicht heeft die wij met ons allen hebben te dragen. U weet bovendien dat wij nog niet eens zo lang geleden voor veel hetere vuren hebben gestaan, toen het aantal vluchtelingen vele malen groter was. Dat wij die veel hetere vuren vrijwel zonder weerstand van het volk hebben kunnen blussen. Dat weet u net zo goed als ik en als u het niet weet heeft u gewoon niet goed opgelet.

Het moment is gekomen dat onze politieke kopstukken min of meer afstand nemen van ons gelijkheidsbeginsel zoals dat is vastgelegd in onze Grondwet. Dat is niet over het hoofd te zien want dat staat in artikel 1.

Vluchtelingen die een verblijfsvergunning hebben gekregen, de statushouders, hebben dezelfde rechten als u en ik die al een tijdje deel uitmaken van de Nederlandse samenleving. Daaraan tornen is discriminatie en dat is hier verboden. Op grond van de grootst mogelijke onzin, van al dan niet gewelddadig verzet door volksgenoten daartoe opgeroepen door een Nederlandse politicus, van door bange politici uitgeslagen wartaal, kortom op grond van ongegronde angst zijn statushouders, onze nieuwe landgenoten, vanaf nu officieel tweederangs burgers. Je zou zelfs met enig succes kunnen betogen dat zij derde- of vierderangs burgers zijn.

Deze exercitie heeft de slogan Sober en Rechtvaardig gekregen. Hiermee wordt bedoeld dat wij met ons allen van mening moeten zijn dat het achterstellen dan wel discrimineren van landgenoten die elders geboren zijn zowel sober als rechtvaardig en bovendien noodzakelijk is. Noodzakelijk omdat onze welvaart anders wordt aangetast en rechtvaardig omdat die lui hier nog maar net komen kijken. Bovendien zijn deze - onwettige - maatregelen te beschouwen als fijne anti-propaganda voor vluchtelingen die het in hun hoofd halen naar Nederland te komen met het idee zorgenloos in Nederland te kunnen blijven.

De vraag is natuurlijk of deze maatregel en volgende maatregelen van die orde aan ons uitgelegd kunnen worden. Die vraag moet ontkennend beantwoord worden, onzin valt nu eenmaal niet uit te leggen. Toch wordt het geprobeerd en daarvoor is de Grote Uitlegger van de Lage Landen gevraagd. Diederik Samsom heeft ons uitgelegd dat vergelijkbare maatregelen die in Denemarken al zijn genomen schandalig zijn en dat vrijwel dezelfde maatregelen van dit kabinet waarvan hij, zoals wij inmiddels weten, de bedrijfsleider is, juist heel goed en logisch zijn. Zijn argumenten zijn overigens doorspekt met de onmogelijke onzin van de afgelopen weken, maar dat zijn inmiddels feiten en die weet hij nog mooi te verpakken ook. Zo zal het gebeuren dat in ons land containerwijken verschijnen waar nieuwe landgenoten onder bepaalde discriminerende voorwaarden moeten wonen, weigeren mag niet, om vele jaren geduldig te wachten op een normale woning. Omdat beleidsmakers helemaal niets leren van het verleden zijn wij over enkele jaren geparfumeerde sloppenwijken rijker met alle kwalijke gevolgen van dien. De jongste binnenlandse geschiedenis gaat zich zonder enige twijfel herhalen. Nieuwe volksverlakkers zullen opstaan, nieuwe bevolkingsgroepen zullen worden gecriminaliseerd. Het houdt nooit op. Tenzij een nieuwe generatie politici opstaat die niet bang is, die fatsoen hoog in het vaandel heeft, die kletskousen onmiddellijk de mond snoert en die er, net als u en ik, niet aan durft te twijfelen dat vluchtelingen ook mensen zijn.


maandag 5 oktober 2015

De echte Nederlander heeft een sterke "Drang nach unten"

Het zich encanailleren is momenteel erg populair in Nederland. Dat is iets anders dan collaboreren, maar heel veel scheelt het onderhand niet meer. Het is vooral de combinatie van deze twee bezigheden die zorgen moet baren.

Het eerste houdt het omgaan met mensen beneden je stand of rang in, het tweede betekent meewerken met iets of iemand of met een groep. Volgens mijn moeder had ik erg veel last van een sterke "Drang nach unten". Zij bedoelde dat ik slechte vrienden had en veel te vaak in kroegen kwam waar ook de onderwereld zich af en toe vermaakte. Dat zou mij nog eens lelijk opbreken, daar was zij heilig van overtuigd. Dat ik nooit collaboreerde met dat door haar gevreesde tuig van de richel deed daar helemaal niets aan af. Encanailleren was verderfelijk en daarmee uit.

Moeder had gelijk. Niet dat ik voor galg en rad opgroeide, maar de "Drang nach unten" kon makkelijk een vertekend wereldbeeld opleveren. Tegen het lezen van misdaadverhalen en het kijken naar misdaadfilms bestond niet zoveel bezwaar, maar in het echte leven diende je je verre van boeven te houden.

Inmiddels is de publieke belangstelling voor geboefte uitgegroeid tot een zeer profijtelijk verdienmodel. Het encanailleren is in handen gevallen van de media en, niet te onderschatten, de politiek.

Het gehele mediaspectrum wordt vrijwel dagelijks gevuld met berichten over criminelen in alle soorten en maten. Artikelen, praatprogramma's, documentaires over dit onderwerp zijn mateloos populair. Oplichters, fraudeurs, leugenaars, vreemdgangers, vrouwenmeppers, bijl- en kapmeszwaaiers, bedreigers, charlatans en non-valeurs die zich om welke reden ook in de Nederlandse politiek begeven kunnen rekenen op veel steun en toejuichingen. Dat is allemaal niet nieuw, maar momenteel loopt het de spuigaten uit.

Je kunt deze ontwikkeling als moreel verval beschouwen, maar je kunt ook zeggen dat het aanbod steeds beter op de vraag is afgestemd. Waar voorheen nog sprake was van een soort maatschappelijke rem op al te veel aandacht voor het schuim der natie, die rem is versleten en functioneert nog nauwelijks.

Het aardige van een open democratie waarbij vrijheid van meningsuiting als een groot goed beschouwd wordt, is dat iedere idioot kan en mag zeggen of schrijven wat hij of zij graag wil. Uiteraard alles binnen de kaders van de wetten die op dat moment gelden. Zo is het de Nederlandse burger toegestaan een ander een domme beschuitlul te noemen, maar is die kwalificatie aan het adres van een overheidsdienaar, inclusief het staatshoofd, strafbaar. Zo is dat nu eenmaal op democratische wijze besloten.

Omdat hier sprake is van een vertegenwoordigende democratie en de burgers met enige regelmaat hun vertegenwoordigers kunnen kiezen zijn er in Nederland honderden volksvertegenwoordigers die, wanneer zij zich officieel in parlementen en raden roeren, alles mogen zeggen wat zij willen. Er zijn uitzonderingen op die regel en daar moeten de voorzitters heel goed op letten, maar dat doen die voorzitters liever niet. Dus nu zijn er meer parlementariërs dan ooit die openlijk misbruik maken van hun onschendbaarheid om daarmee ongekende successen te oogsten. Het gaat dan niet eens zo zeer om electorale successen, die zijn kennelijk inbegrepen, maar om het genereren van aandacht, applaus, collaborateurs en, niet te vergeten maar ook zeer belangrijk, vijanden.

Een grote meerderheid van het Nederlandse volk zal niet collaboreren met deze politici, maar vindt het wel bijzonder interessant en soms zelfs uitermate amusant. Dat is de "Drang nach unten". De nieuwsgierigheid of belangstelling van nette mensen voor andere mensen die het niet zo nauw nemen met de waarheid of de realiteit. Sprookjes hebben ook nooit aan populariteit ingeboet, maar de meeste mensen geloven helemaal niet in sprookjes.

De rol van de media, alle media en van links en rechts spreek ik al jaren niet meer, varieert van het veroorzaken van ophef tot het verspreiden van kwaadaardige roddel en achterklap. Zo krijgt het geboefte de meeste aandacht en worden nette mensen zo goed als genegeerd of op z'n minst verdacht en belachelijk gemaakt. Het aardige is dat de media elkaar voeden. Verschijnt in een krant of op een website een onzinnig artikel dan lokt dat weer onzinnige reacties in andere kranten of op andere websites uit. Wordt op de televisie of radio een idioot als deskundige van alles vertoond of ten gehore gebracht, andere idioten reageren direct en zo mogelijk venijniger dan de boodschapper.

Het vervelende van dit automatisme is dat met name in de politiek de politici die het populistische gebral van hun collega's normaal gesproken verafschuwen, telkens een stapje in de richting van het geboefte opschuiven. Als een kleine minderheid van het volk het al collaborerend nodig vindt middels hakenkruizen, runen, nationalistische- en racistische- en andere gruwelijke uitingen hun ongenoegen en dat van een klein aantal politici kenbaar te maken dan buitelen de "nette" politici over elkaar heen om te verklaren dat zij de bezorgdheid van deze burgers heel goed kan begrijpen.

Op deze manier erkennen media en politici de behoefte van het gemeen volk aan berichten uit de krochten van de samenleving en maken zij tegelijkertijd politici die een schande voor het politieke bedrijf zijn salonfähig. Dit mechanisme dreigt nu uit de hand te lopen. Het is nu net alsof een grote meerderheid van de Nederlanders grotendeels uit onmensen bestaat, als de dood voor vreemdelingen en afkerig van alles wat maar een beetje naar leuk en aardig zweemt. Wanneer je je beperkt tot berichten in de media en politieke oprispingen, dan zou die indruk juist kunnen zijn. Wanneer je je de moeite getroost je te verdiepen in je buren, de mensen in je wijk, in landgenoten in het algemeen, dan moet de conclusie zijn dat het allemaal nogal meevalt en dat de welhaast natuurlijke dus ingebakken "Drang nach unten" ook gewoon gezonde nieuwsgierigheid kan zijn. Maar ook hier geldt uiteraard: alles met mate.

Van vrijwel geen enkele uiting van de notoire mensenhaters die zich overigens overal en altijd luidruchtig manifesteren, kijk ik inmiddels nog op. Dat gaat wel weer voorbij, denk ik dan. Onaangename mensen hebben de fijne gewoonte hun schulp alleen te verlaten wanneer het klimaat voor hun haat gunstig is en het klimaat is aan veranderingen onderhevig. Dat weet iedereen.

Toch is een waarschuwing op haar plaats. Ook al zal het allemaal niet zo'n vaart gaan lopen, althans niet in Nederland, we moeten ons ervan bewust zijn dat fascisme en daarmee verwante misdaden altijd op de loer liggen. Dat het electoraal gezien nu even niet zo goed uitkomt om daar ondubbelzinnig tegen in het geweer te komen doet daar niets aan af.

Met het verdwijnen van de overdreven sensatiezucht zullen ook de berichten over overleden huisdieren van politici weer verdwijnen. Tot die tijd is het een kwestie van kritisch volgen met een portie gezonde argwaan. Het voortdurend wijzen op de slechtheid van een relatief kleine groep landgenoten mag hierbij een rol spelen maar zeker niet de overhand krijgen. Daar worden de nette mensen alleen maar banger en stiller van.


vrijdag 2 oktober 2015

Karel van het Reve, beter laat dan nooit

Opgegroeid en gevormd in een politiek milieu waarin de culturele dwangbuis een volstrekt normale accessoire was zijn er nog steeds auteurs van wie ik geen letter heb gelezen. In het jaar 1990 toen de CPN feitelijk nog bestond maar toch al enkele jaren ter ziele was verscheen Jolande Withuis op het toneel met haar proefschrift Opoffering en Heroïek dat handelt over "De mentale wereld van een communistische vrouwenorganisatie in naoorlogs Nederland, 1946-1976"

Withuis beschrijft in dat proefschrift een sektarische communistische cultuur waarin veel verboden was en overtredingen zwaar bestraft werden. Je zou bijna medelijden krijgen met feministes in het algemeen en de beschreven communistische exemplaren in het bijzonder. Misschien was ik er destijds nog niet aan toe om verhalen uit voor mij vreemde communistische "cellen" aan te horen en te lezen, maar feit was dat ik mij niet heel erg herkende in Opoffering en Heroïek. Ook al omdat ik geen vrouw ben natuurlijk en omdat mijn eigen rouwproces nog moest beginnen. De teloorgang van de de CPN zag ik toch als verlies van de hoop op een betere wereld en als het einde van de arbeidersklasse in Nederland. De lange stoet spijtoptanten kon niet op mijn sympathie rekenen en ook niet op mijn begrip.

Het is voor mij nooit een feest geweest om deel uit te maken van communistisch Nederland. Toen het nog wel een feest was, kort na de Tweede Wereldoorlog, was ik nog niet geboren. De heldhaftige verzetsdaden van de Nederlandse communisten ken ik alleen uit verhalen en geschriften en dan nog voornamelijk uit de verhalen en geschriften van de helden zelf. De officiële geschiedschrijving waren wij min of meer verplicht met korrels zout te nemen. Dat was natuurlijk voornamelijk geschiedsvervalsing gepleegd door afschuwelijke kapitalistische imperialisten.

Tijdens bijeenkomsten, meestal in gewone rokerige huiskamers op bovenwoningen, werd ons ingeprent toch vooral geen boeken of geschriften te lezen van auteurs die een loopje namen met Marx en Lenin. Of, nog erger, Stalin, Mao en Pol Pot om maar enkele Grote Leiders te vermelden, van massamoord beschuldigden. Die auteurs wilden niet weten of begrijpen dat het uitschakelen van aanhangers van het kapitalisme juist heel goed was voor de wereldvrede en het arbeiderszelfbestuur. Ook de werken van sommige romanciers, ik noem de Jannen Cremer en Wolkers, kon je maar beter links laten liggen en dat gold eigenlijk voor alle boeken waarin verloedering en verwildering van zeden een voorname plaats hadden. Theun de Vries daarentegen was verplichte kost en een verzuchting als "die geforceerde mooischrijverij is werkelijk onverteerbaar" lokte direct een stevige reprimande uit. En dat niet alleen. Alsof het niks was bekogelden stratenmakers, schrijnwerkers, trambestuurders, jongste bedienden en wie er ook maar toevallig aanwezig waren elkaar met indrukwekkende citaten van Belangrijke Communistische Denkers. Natuurlijk waren de citaten van Marx, Lenin, Fidel Castro maar ook die van Stalin veruit favoriet. Dat had overigens wel iets aandoenlijks, vond ik. Het was een trend die je tegenwoordig nog steeds ziet bij dromerige anarchisten. Ook die zijn, gehersenspoeld als zij zijn, niet in staat op normale toon met elkaar te communiceren. Ook voor hen geldt dat ieder argument vergezeld moet gaan met een Belangrijk Citaat. Wat dat betreft is het maar goed dat de CPN niet meer bestaat.

De werken van Karel van het Reve, nota bene opgegroeid in een vrijwel onverdacht communistisch gezin, bij wijze van spreken een bevriend bolwerk in het Amsterdamse Betondorp, waren destijds verboden leesvoer. Karel werd als een verrader gezien zoals Het Parool destijds voortdurend een verraderskrant werd genoemd en sociaal-democraten steevast met klassenverraders werden geduid.

Zo kon het gebeuren dat ik tot voor kort nog nooit iets van Karel van het Reve gelezen had, maar via via had gehoord dat de man aardig kon schrijven. Hetzelfde geldt overigens voor de extreemrechtse schrijver W.F. Hermans. Ook nooit iets van gelezen. Zelfs de Donkere kamer van Damocles niet en ook de film Als twee druppels water zag ik nooit.

Maar ik jok hier een beetje. Althans, ik neem een loopje met de waarheid. Dat zal wel door Marx en Lenin komen, die namen het ook nooit zo nauw met de waarheid. Ook iets wat ik nu van Karel van het Reve heb geleerd.

Een paar jaar geleden las ik een stukje van Karel dat hij voor de Wereldomroep had geschreven en uitgesproken. Het stukje ging over een interview van Ischa Meijer met Bram Peper en toenmalige mevrouw Peper. Ik vond dat een geweldig leuk stukje, maar ik ben het kwijtgeraakt omdat ik te lui ben om backupjes te maken van mijn computerdocumentjes.

Nu heb ik datzelfde stukje weer gelezen en ik vind nog steeds dat Karel van het Reve de Pepertjes op briljante wijze te kijk zette.

Het stukje dat Ischa en Peper getiteld is staat in de zojuist verschenen bundel Karel van het Reve voor beginners. Dat boekje heb ik aangeschaft omdat ik op de eerste plaats een beginner ben en op de tweede plaats wel weer eens een "overtreding" wilde begaan. Wat dat laatste betreft, dat kan tegenwoordig volkomen straffeloos, dus erg heldhaftig is dat niet.

Op het gevaar af voor bekeerling te worden uitgemaakt vermeld ik hier dat ik nu een groot fan van Karel van het Reve ben. Van zijn bijna feilloze fileertechniek, die je tegenwoordig alleen nog maar in de verkoophal van de visafslag in Spakenburg ziet, en van de prachtige stijl die je heden ten dage bij bloggers en columnisten bijna niet meer ziet. Waarschijnlijk ging het schrijven Karel zó moeizaam af, dat hij slechts pareltjes kon afscheiden.

Nu zijn verreweg de meeste stukjes voor beginners ook te lezen in Karels Verzameld werk, maar dat is enorm omvangrijk en bovendien erg duur. Om die 7 delen aan te schaffen moet je een kapitalist zijn. Dat is jammer, want juist de mensen met een minimum inkomen en veel klachten over van alles en nog wat zouden wel iets van Karel van het Reve kunnen leren. Dat je niet zomaar dingen moet roepen bijvoorbeeld of dat je best wat langer mag nadenken voordat je je verontwaardiging over dit of dat wereldkundig maakt. Of dat de pen weliswaar een belangrijk wapen kan zijn maar onvakkundig en impulsief gehanteerd al snel verwordt tot een ridicuul fallussymbool. Die mensen kunnen nu dus voor een koopje een beetje schrijfcollege volgen.

Kortom, ik ben verkocht door deze impulsieve aankoop en kan nauwelijks wachten tot het moment dat Karel van het Reve voor gevorderden verschijnt. Dat zal in het voorjaar van 2016 gebeuren, als ik samensteller David van het Reve goed begrepen heb.

Wat ik ook niet wist, op YouTube is veel Karel van het Reve te vinden. Sprekend, maar dat is ook niet mis:









dinsdag 29 september 2015

Azmani, Zijlstra en de Dodo

Omdat alle dieren nat waren geworden in het meer van tranen dat Alice had geschreid, organiseerde de Dodo een hardloopwedstrijd. De deelnemers werden her en der langs een parcours geplaatst. Ze mochten beginnen met rennen wanneer ze daar zin in hadden en ze mochten ook stoppen wanneer ze dat wilden. Na een half uur was iedereen weer droog en riep de Dodo dat de race was afgelopen. Maar wie had er nu gewonnen? De Dodo dacht daar lang over na en sprak toen: 'Everybody has won, and all must have prizes.'

Dit verhaal uit Alice in Wonderland heeft geleid tot het in de psychologie bekende Dodo-effect. Dit houdt in dat alle erkende psychotherapieën ongeveer even effectief zijn. Er zijn honderden erkende therapieën.

Ook in de politiek is er dikwijls sprake van het Dodo-effect. Ieder succes, of dat nu economisch of sociaal-maatschappelijk of anderszins is, wordt door alle politici als eigen succes geclaimd zonder daarbij te vermelden dat er talloze andere dan politieke factoren een grotere rol hebben gespeeld. Het geheel van factoren, dus ook het kleine politieke aandeel daarin, heeft tot een succes geleid.

Er is nog een ander Dodo-effect dat zich vrijwel uitsluitend tot de politiek in het algemeen en Kamerleden in het bijzonder beperkt. Kamerleden walgen namelijk wat af. Dagelijks meldt een Kamerlid dat hij of zij ergens van walgt. De kans dat je op het Binnenhof een kokhalzend Kamerlid ontmoet is groot.

De Dodo is ergens laat in de 17de eeuw uitgestorven. Uit verhalen van zeelieden die het eiland Mauritius aandeden blijkt dat de Dodo behalve groot en onhandig ook nog eens niet te vreten was. Zijn vlees was zó taai en vies dat de vogel die niet vliegen kon Walgvogel werd genoemd. Hiermee is het verband tussen de voortdurende walgende politici en hun eeuwige gelijk gelegd. De Walgvogel is uitgestorven, de politici zijn dat nog lang niet.

De Kamerleden Malik Azmani en Halbe Zijlstra, beiden lid van de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie, walgden samen op één en dezelfde dag. Azmani moest walgen van kindbruiden, Zijsltra walgde van vreemdelingen die hier, eenmaal opgehokt, een potje gingen knokken en mogelijk de Sharia aanhangen. Zowel Azmani als Zijlstra betogen dat deze walgelijke mensen niet in de Nederlandse beschaving thuishoren en derhalve het land moeten worden uitgezet. Zij vertellen daar dan niet bij de onze wetgeving daarin al jaren voorziet zodat wij, eerzame beschaafde burgers, de indruk moeten krijgen dat de heren groot gelijk hebben en een groot onrecht hebben ontdekt.

Azmani en Zijlstra maken in dit geval gebruik van het Dodo-effect zoals dat in de psychologie bekend is. Daar komt dan bij dat zij moeten walgen van vreemdelingen die er andere opvattingen op nahouden. Voor het gemak kunnen wij die vreemdelingen voortaan Walgmensen noemen en voor dit soort mensen is hier in elk geval geen plaats. Beter zou het misschien nog zijn dat zij spoedig uitsterven, waarmee een derde betekenis aan het Dodo-effect kan worden gegeven.

Dodo's konden overigens enorm gemeen bijten. Dat is dan ook een overeenkomst met de Kamerleden Azmani en Zijlstra.